Muziek

De lutherse kerk heeft de naam een zingende kerk te zijn. Maarten Luther zelf schreef en componeerde tal van liederen, waarvan enkele opgenomen zijn in het Liedboek (Zingen en bidden in huis en kerk), zoals bijvoorbeeld gezang 721 (Houdt ons bijeen, God, rond uw woord), 340 (Wij geloven allen in een God) en  898 (Een vaste burcht is onze God). De wisselwerking van woord en muziek in de liederen uit de lutherse traditie geeft uitdrukking aan wat ‘de levende stem van het Evangelie’ wordt genoemd.

De cantorij

De cantorij Maarten Luther werd opgericht in 1941. Zij ondersteunt zes tot acht keer per jaar de gemeentezang in de eredienst en draagt bij aan de liturgie door het zingen van motetten, antifonen, liedzettingen, anthems (lofzangen) enz. De circa twintig leden van de cantorij repeteren wekelijks op dinsdagavond van 20.00 – 22.00 uur.

Sinds 2012 is Monique Schendelaar als cantor aangesteld. In deze functie dirigeert zij de cantorij. Monique is ook dirigent van het kamerkoor Capella Vocale (Leiden) en van het dameskoor van de St. Agathakerk te Lisse. Ze zingt vaak bij uitvaarten en huwelijken en leidt op projectbasis verschillende ad-hoc ensembles. Monique studeerde in 2002 af aan het conservatorium Alkmaar voor koordirectie bij Harold Lenselink en Johan Rooze met bijvak zang. Zij heeft een aantal keren de Kurt Thomascursus gevolgd voor ervaren koordirigenten en specialisatie kamerkoor. Eerder heeft zij een zanglesmodule gegeven in de cursus Liturgisch en Homiletisch Practicum aan de Universiteit te Utrecht en in 2014 heeft zij de cursus “Complete Vocal Technique” afgerond. Zanglessen geeft zij thuis.  www.moniqueschendelaar.nl.

Stichting Cultuur en Muziek in de Lutherse Kerk

De Stichting Cultuur en Muziek in de Lutherse Kerk (SCMLK) heeft als doel het organiseren van concerten, festivals en andere culturele evenementen in de Lutherse Kerk te Den Haag. Centraal staat het prachtige Bätz-orgel uit 1762, maar er is ook zeker ruimte voor andere kunstvormen.

Momenteel verzorgt de SCMLK eenmaal per maand een concert, te vinden via de agenda.

De organist

Sander van den Houten (*1987) woont in Kampen en is naast zijn aanstelling (2017) bij de Lutherse gemeente Den Haag organist in de Broederkerk en de Burgwalkerk van Kampen. Sander is ook één van de tweede organisten in de Bovenkerk te Kampen.

Sander van den Houten studeerde orgel en kerkmuziek aan het Rotterdams conservatorium bij Bas de Vroome (literatuur) en Aart Bergwerff (improvisatie) en behaalde daar zijn bachelordiploma. In 2013 slaagde hij cum laude voor zijn masterdiploma orgel aan het ArtEZ conservatorium van Zwolle bij Theo Jellema. Sander geeft jaarlijks vele concerten, is als dirigent verbonden aan een drietal koren en heeft een privélespraktijk. www.sandervandenhouten.nl

Het Bätz-orgel

Al in het voormalige kerkgebouw van de Evangelisch-Lutherse gemeente Den Haag bevond zich een orgel, in 1648 gebouwd door Hans Wolff Schonat. In 1668 herstelde orgelmaker Appolonius Bosch dit instrument. Vervolgens wijzigde in 1724 Rudolph Garrels het orgel, die zich even daarvoor als orgelmaker in Den Haag had gevestigd. Garrels verfraaide bovendien de kas van het oude orgel.

In het jaar 1753 maakte Johann Heinrich Hartmann Bätz een nieuw orgel in de bestaande kassen. Hierbij werd het pijpwerk van enkele oude registers in het nieuwe orgel opgenomen. In 1759 demonteerde Bätz dit orgel en sloeg het op vanwege de afbraak van het toenmalige kerkgebouw en de bouw van de huidige kerk. In 1762 volgde de oplevering van het nieuwe, huidige orgel, waarvan de aanleg nog grotendeels bewaard is gebleven. Bij de bouw gebruikte men de windladen van het hoofdwerk en het rugwerk uit 1753, de windladen van het pedaal en het bovenwerk dateren van 1762. Het pijpwerk van het hoofdwerk en het rugwerk dateert voornamelijk uit 1753, het pijpwerk van het pedaal en het bovenwerk is van het jaar 1762. Bätz nam in 1753 een drietal registers van het rugwerk over uit het voormalige orgel van Schonat, te weten Holpijp 8’, Octaaf 2’ en drie koren van de Mixtuur. Het vierde koor van de Mixtuur is vermoedelijk van de hand van Garrels. Dit pijpwerk bevindt zich nog steeds in het huidige rugwerk.

Tot het jaar 1824 bleef het instrument in hoofdzaak ongewijzigd, klein herstel daargelaten. In 1824 herstelt en wijzigt Jonathan Bätz, kleinzoon van Johann Heinrich Hartmann, het orgel. In 1837 werd het orgel dan opnieuw hersteld en gewijzigd door Jonathan Bätz, waarbij een aantal wijzigingen in de dispositie is doorgevoerd. In 1891 werden de frontpijpen vernieuwd door Johann Frederik Witte, die het bedrijf van Bätz voortzette. Hierbij werden ook de dubbelkoren van de Prestanten verwijderd en buiten gebruik gesteld.

In 1921 volgde de uitbreiding van het orgel met een zwelwerk, pneumatisch gevoed uit de laden van bovenwerk en pedaal. Een nieuwe Sexquialter II wordt geplaatst op het rugwerk en het orgel wordt voorzien van een electrische windmachine. Deze werkzaamheden werden uitgevoerd door de orgelmaker A. Bik te Amsterdam. In 1948 voegde Bik twee registers op het bovenwerk toe, een Octaaf 4’ en een Scherp III st. De Salicionaal 4’ van Jonathan Bätz werd vervangen door een nieuwe Nasard 3’.

Vanaf het jaar 1988 startte een restauratie in fasen door Flentrop Orgelbouw te Zaandam. In 1988 werden de beide windladen van het pedaal hersteld, in 1995 die van het rugwerk, waarbij het register Sexquialter II st. werd gereconstrueerd.

Een grote restauratie van alle nog niet herstelde delen van het orgel is in de perode juni 2006 – september 2007 uitgevoerd. Deze restauratie omvatte de windladen van Hoofdwerk, Bovenwerk en Zwelwerk, voorts de windvoorziening, speel- en registermechanieken, claviatuur, pijpwerk en orgelkas. Uitgangspunt voor deze restauratie was de situatie 1762/1837 met behoud van het Zwelwerk uit 1921.

Dispositie Bätz-orgel
Hoofdwerk Rugwerk Bovenwerk

Bourdon 16’

Prestant 8’

Roorfluit 8’

Quintadeen 8’

Octaaf 4’

Nagthoorn 4’

Quint 3’

Octaaf 2’

Woudfluit 2’

Mixtuur 5-8 st.

Cornet D 4 st.

Fagot 16’

Trompet 8’

Trompet 4’

 

Prestant 8’

Holpijp 8’

Octaaf 4’

Fluit 4’

Octaaf 2’

Flageolet 1’

Mixtuur 3-4 st.

Sexquialter 2 st.

Dulciaan 8’

Prestant 8’

Baarpijp 8’

Quintadeen 8’

Roorfluit 4’

Nasard 3’

Fluit 2’

Schalmy 8’

Vox Humana 8’

Zwelwerk Pedaal Pedaal zwelwerk

Holpijp 8’

Dolce 8’

Viola di Gamba 8’

Voix Céleste 8’

Fluit Harmonique 4’

Woudfluit 2’

Octaaf 4’ 

Hobo 8’

Prestant 16’

Bourdon 16’

Prestant 8’

Roorquint 6’

Octaaf 4’

Bazuin 16’

Trompet 8’

Trombone 4’

 

Subbas 16’

Bourdon 8’

Violoncel 8’

 

 

  • Tremulanten op Hoofdwerk, Rugwerk, Bovenwerk en Zwelwerk
  • Koppelingen
  • Afsluiters
  • Ventiel

Het Italiaanse orgel

De herkomst van het Italiaanse orgel is onbekend. Wel is het orgel aan het front te herkennen als een instrument van Napolitaanse oorsprong. Het is vermoedelijk circa 1764 gebouwd.
Het instrument is via Rastatt (Duitsland) en Veurne (België) in Nederland terecht gekomen en aangekocht door het Koninklijk Conservatorium, waar het wordt gebruikt door de afdeling Oude Muziek.
Het orgel bezit nog een zogenaamd ‘kort octaaf’ en is gestemd in de middentoonstemming.

Dispositie Italiaans orgel

Principale 8’

Voce Umana 8’

Ottava 4’

Flauto in duodecima 2 2/3’

Quindecima 2’

Decimanova 1 1/3’

Vigesimaseconda1’

Zampogna (te verstemmen tongpijp)

Protestantse Kerk
ANBI Status
Ringleiding aanwezig
Rolstoelvriendelijke toegang