Kan Luther ons iets aanraden in deze coronapandemie?

Ook Maarten Luther leefde in een tijd die, nog veel sterker dan tegenwoordig, te maken had met uitbraken van besmettelijke ziekten, waaronder de pest. Waar wij tegenwoordig gezegend zijn met vaccins, die ernstige complicaties bij Covid-19 kunnen voorkomen en met behandelmethoden die het leven van velen gelukkig kunnen redden, was dat in Luthers tijd wel anders. Des te opmerkelijker, dat hij met klem wees op de weinige manieren die zijn tijdgenoten gegeven waren om besmetting met de pest te voorkomen. Een daarvan was: afstand houden. Daar moet gelijk bij gezegd worden dat hij goede lichamelijke en geestelijke zorg voor zieken even belangrijk vond. U leest erover in onderstaand artikel van hoogleraar Lutherana aan de Protestantse Theologische Universiteit, prof. dr. Markus Matthias, dat eerder werd gepubliceerd in het blad Woord & Dienst (jaargang 69/10) en in het kerkblad van de Evangelisch-Lutherse gemeente Zuid Nederland.

 

Willem Linnig (junior): Luthers Besuch bei den Pestkranken / Standort: Eisenach, Wartburg, Reformationszimmer; Öl & Leinwand [overgenomen van website Stiftung Luthergedenkstätten] 

Landplaag

‘Gedraag je tijdens de landplaag als iemand die graag een grote stadsbrand wil helpen blussen. Want wat is de landplaag of pest anders dan een vuur, dat niet hout en stro, maar lichaam en leven opvreet. En redeneer zo: welnu, de vijand heeft door Gods beschikking venijn en dodelijke ziektes in ons midden gestuurd; daarom wil ik God bidden dat Hij ons genadig wil zijn en ons wil beschermen. Daarnaast wil ik ook helpen met het uitroken, de lucht verversen helpen, medicijnen geven en nemen, en plaats en persoon mijden waar men mij niet nodig heeft, opdat ik niet mijzelf zal verwaarlozen en bovendien misschien ook vele anderen zou verzieken en besmetten, opdat ik niet door mijn nalatigheid de oorzaak van andermans dood zou zijn. Doelt God echter op mij, dan zal Hij mij wel weten te vinden. In dat geval heb ik toch gedaan wat Hij me heeft aangegeven om te doen, en ben ik niet schuldig aan mijn eigen dood of aan de dood van andere mensen. Waar echter mijn naaste mij nodig heeft, wil ik geen plaats of persoon mijden, maar onbezorgd gaan en helpen, zoals al eerder is gezegd. Kijk, dat is een echt godvrezend geloof, dat niet lullig-stout of brutaal is, en God ook niet verzoekt.’ [Open brief, 1527; WA 23, 364/5:26–366/7:9; Duits]

 

Uiteraard heeft Luther ook iets te berde gebracht over dat wat wij op de dag van vandaag beleven, een epidemie of een landplaag, globaal gezien een pandemie. Want landplagen, dus ziektes met een hoog aantal besmettingen, hoorden in de Middeleeuwen en vroege nieuwe tijd bij het alledaagse leven van mensen. Wat de mensen toen de pest noemden, was echter niet altijd dezelfde ziekte, maar het resultaat van verschillende ziekteverwekkers, misschien waren er al toen coronavirussen onder. En wij weten vandaag ook hoe mensen in vroegere tijden hier mee zijn omgegaan, hoe de (meestal stedelijke) overheden probeerden de situatie te beheersen (quarantaine, contactverbod, hygiëne) en uiteindelijk door te gaan met het alledaagse leven ondanks het gevaar van besmetting, dus met handel en ambacht, noem maar op. Deze ervaringen zijn op grond van de vooruitgang in de hygiëne en het hygiënisch bewustzijn inmiddels blijkbaar uit het collectieve geheugen verdwenen, maar echt nieuw zijn nog de ervaringen die wij vandaag opdoen nog de zoektocht naar maatregelen die de besmetting beheersbaar kunnen maken.
Voor een Godgelovige mens rijst op dat moment de vraag, wat heeft God ermee te maken en hoe moet ik me gedragen om niet tegen Gods wil in te handelen.
In Luthers tijd waren er al veel vrome mensen die meenden dat een landplaag, die niet door menselijk handelen veroorzaakt leek te zijn, van God kwam, als straf of als beproeving. En het leek in de visie van die mensen vroom en godvruchtig te zijn om gewoon God alleen te laten werken, niet te proberen de landplaag te onderdrukken of zichzelf te beschermen, maar de landplaag zijn gang te laten gaan.

Luther heeft hier een heel genuanceerde visie op. Allereerst, de landplaag is een middel van de duivel (de vijand) om de mensen te doden, en het liefst snel zodat ze geen gelegenheid hebben om boete te doen en om te keren tot God. Daarmee personifieert Luther het kwaad, maar dat heeft echter geen verdere gevolgen voor zijn denken. Hij heeft daar geen demonologie aan verbonden, geen leer over de duivel of magische bezweringen. Het gaat slechts om het overweldigende kwaad terug te voeren op iemand die machtig en kwaadwillig is, en dat is dan de vijand of de duivel. Ten tweede is Luther er wel van overtuigd dat ook deze kwaadwillige vijand of het kwaad niet buiten da machtssfeer van God werkzaam kan zijn. En toch vermijdt Luther te zeggen dat de landplaag voortkomt uit Gods wil. Gods wil kennen wij niet, kunnen hem ook niet aflezen uit de gebeurtenissen; want om Gods wil te kunnen weten, zouden wij moeten begrijpen waartoe dit en dat dient, wat de bedoeling van de gebeurtenissen is. Wij kunnen dat niet weten, omdat God het niet heeft geopenbaard. Bovendien kunnen wij niet in de toekomst kijken, kennen wij niet de uitslag van dat wat nu gebeurt, dus ook niet het doel ervan. Omdat echter de landplaag door de beschikking van God gebeurt, is Hij ook degene die je in het gebed moet benaderen. En daar mag je God ook wel bidden om jezelf en jouw dierbaren te beschermen tegen de woede van de duivel. Ten derde is Luther ervan overtuigd dat ook de rede een goede gave van God is. Daarom moeten wij daarvan ook gebruik maken en dus alle maatregelen nemen waardoor de mensen zichzelf kunnen beschermen. Dat staat niet in tegenspraak tot het gebed, maar juist in het verlengde ervan. Hoe zou je God om bescherming kunnen bidden en niet de middelen willen gebruiken die Hij al door de  wetenschappen ter beschikking heeft gesteld: hygiëne, medicijnen en ‘physical distancing’? Het gaat immers niet alleen om mijn eigen gezondheid en leven, maar om het leven en de gezondheid van alle anderen. Het gebruiken van de middelen is mijn christelijke verantwoordelijkheid. Ten vierde is Luther niet bang, dat hij God zou kunnen tegenwerken als God zou willen dat hij overlijdt: “Hij zal mij wel weten te vinden!”. De mens kan God niet tegenwerken en daarom mag en moet de mens gerust de middelen gebruiken, die hem ter beschikking staan. En pas dan, wanneer je alles hebt gedaan om niet onder te gaan, dan weet je dat het God is die op jou doelt. Ten vijfde is Luther wel bereid zieke mensen ook actief en fysiek te helpen en dus ook risico te lopen besmet te worden. Daarin ziet hij zijn plicht als christen; en dat roept wel de vraag op of wij niet ook iets minder bang mogen zijn, om mensen die ons nodig hebben, bijvoorbeeld stervende, ondanks alle coronamaatregelen – nabij – te begeleiden.

prof. dr. Markus Matthias